Je zit aan tafel en hebt besloten: vanavond eten we lasagne. Je weet het zeker. Je hebt er zin in, de ingrediënten heb je al half in je hoofd en eigenlijk voelt het als een uitgemaakte zaak. Je vraagt wat degene met wie je gaat eten zou willen, maar eigenlijk luister je niet. Iedere vraag stuurt subtiel richting Italië, richting pasta, richting jouw voorkeur. De ander haakt af. Niet omdat die geen zin heeft om samen te eten, maar omdat er nooit werkelijk ruimte is geweest voor zijn of haar behoefte. De intentie om samen te eten is er wel, maar het gesprek is nooit echt open geweest.
In gesprekken over samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven klinkt steeds vaker dezelfde vraag vanuit onderwijsprofessionals: “Hoe bereiken en activeren we het mkb?” Het is een begrijpelijke vraag, want de betrokkenheid van het mkb is cruciaal. Tegelijkertijd is het ook een verraderlijke vraag, omdat er impliciet al een richting in besloten ligt. De beweging lijkt van de ander te moeten komen. Het mkb moet bereikt worden, geactiveerd worden, meegenomen worden.
Niet hoe je bereikt, maar hoe je kijkt
Onderwijsinstellingen zijn goed in ontwikkelen. In modules, leerlijnen, programma’s en trajecten. Er is nagedacht over kwaliteit, leeruitkomsten, studieduur en schaalbaarheid. Vanuit die logica voelt het voorstelbaar dat onderwijsprofessionals zich afvragen: “dit is toch precies wat bedrijven nodig hebben? Waarom staan ze niet in de rij?”
Voor veel mkb-ondernemers kan de dagelijkse praktijk er echter anders uitzien. Tijd is vaak schaars. Prioriteiten verschuiven en leren vindt geregeld plaats terwijl het werk doorgaat. Ontwikkeling ontstaat dan eerder in reactie op concrete vragen, problemen of kansen die zich aandienen in de praktijk. Wanneer samenwerking vooral wordt ingestoken vanuit bestaande onderwijsstructuren, kan er afstand ontstaan. Niet uit onwil, maar omdat ze handelen vanuit verschillende perspectieven en belangen. Wat daarbij soms ontbreekt zijn zichtbare lijnen en verbindingen. Het gesprek blijft daardoor regelmatig hangen bij het leveren van het aanbod, in plaats van dat gezamenlijk wordt verkend wat er in de praktijk speelt, wat er al gebeurt en waar precies behoefte aan is. Ondernemers worden dan weleens benaderd met oplossingen, terwijl de vraag nog niet duidelijk is. Dat kan het lastiger maken om elkaar echt te vinden.
De belemmering ligt in zulke situaties mogelijk niet in het bereik of motivatie, maar in perspectief: in de bril waardoor we kijken. Wat verandert er wanneer niet het aanbod, maar het perspectief van de ondernemer het vertrekpunt vormt? Wanneer eerst wordt onderzocht hoe de dagelijkse realiteit eruitziet, welke afwegingen worden gemaakt en waarom er op een bepaalde manier wordt gehandeld? Als dat perspectief zichtbaar en serieus genomen wordt, ontstaat er eerder ruimte voor aansluiting die voor beide kanten betekenisvol kan zijn.
Als leren al gebeurt - maar niet wordt herkend
Tijdens een Roadshow bij Slangen Staal, georganiseerd door MKB Nederland werd dit perspectief zichtbaar. In dit metaalbewerkingsbedrijf is leren geen apart programma of innovatie-traject. Het is er "gewoon". Al generaties lang lopen stagiairs en BBL’ers mee op de werkvloer. “Ik weet niet beter, en ben zelf ook zo begonnen” zei een van de ondernemers.
Die vanzelfsprekendheid is eigenlijk veelzeggend. Wat in het onderwijs vaak wordt aangeduid als leercultuur, wordt in mkb-contexten regelmatig gezien als werken: leren verweven in het dagelijks handelen. Wie gemotiveerd is, krijgt vaak kansen. Wie inzet toont, leert meestal mee. Wanneer leren echter vooral wordt herkend in de vorm van modules, formats en onderwijstaal, bestaat het risico dat een deel van het bestaande leren minder wordt gezien.
In een eerder artikel wijst Marian Thunnissen op de rol van taal in samenwerking. LLO-jargon dat binnen het onderwijs logisch en vertrouwd is, kan buiten die context afstand creëren. Daarmee wordt soms impliciet gevraagd aan de ander om zich aan te passen aan onderwijswoorden, -logica en -structuren, terwijl samenwerking vaak baat heeft bij gedeelde betekenis en wederzijds begrip.
Verbinding ontstaat door te zien wat er al is
Samenwerking begint daarom niet per definitie bij nieuwe programma’s, maar bij aansluiten bij wat er al is. Bij elkaar zien in de rollen die je hebt en in de rol die je zelf speelt. Weten waar je elkaar voor kunt vinden, voordat daar iets nieuws voor opgetuigd hoeft te worden. De invulling daarvan kan verschillen per context en behoefte. Learning communities kunnen zo'n manier zijn: een laagdrempelige plek waar ondernemers en onderwijsprofessionals actuele vragen inbrengen, kennis delen en elkaar snel weten te vinden rondom een bepaald thema en zonder dat het van bovenaf wordt opgelegd.
De kracht van een learning community zit vaak in de uitwisseling in twee richtingen. Bedrijven vinden makkelijker expertise en kunnen mede richting geven aan welke skills en vakkennis relevant zijn. Tegelijkertijd krijgt het onderwijs zicht op waar in de praktijk wordt geleerd en geïnnoveerd - inzichten die weer kunnen terugvloeien naar curriculum en didactiek. Zo kan wederkerigheid ontstaan.
Dat werd ook zichtbaar bij Slangen Staal. Hier gaf een ondernemer aan dat het soms best lastig is om in contact te komen met de juiste persoon binnen het onderwijs: wie bel je, bij wie moet je zijn? Juist door vaker in contact te zijn, bijvoorbeeld via een regionaal netwerk of learning community - lijken die lijnen te ontstaan. En als die er eenmaal zijn, blijven ze vaak. Je weet wie je kunt bellen voor een stagiair, een BBL’er of specifieke kennis, en de drempel om contact op te nemen wordt doorgaans lager.
Een illustratie van hoe dit in de praktijk kan werken, is het project Gas Erop!, waar learning communities laten zien hoe onderwijs en bedrijfsleven elkaar kunnen vinden.
Onderzoek naar het gezamenlijke belang
Zonder dat gezamenlijke onderzoek lopen we het risico dat gesprekken aan de oppervlakte blijven en aannames leidend worden. Dan ontstaan oplossingen die inhoudelijk prima lijken, maar in de praktijk minder worden gebruikt. Dat kan leiden tot gemiste leerkansen, suboptimale inzet van tijd en middelen, afhankelijkheid van toevallige personen in plaats van structurele verbindingen, en een samenwerking die kwetsbaar is bij wisselingen of drukte. Door wél samen te verkennen (luisteren, taal afstemmen, perspectieven naast elkaar leggen) wordt het onderliggende gezamenlijke belang zichtbaarder en neemt de kans toe dat wat wordt ontwikkelt ook echt landt.
Als we nog even teruggrijpen op de lasagne analogie; misschien ontdek je pas in het gesprek dat jullie allebei iets gezonds willen eten, maar om heel verschillende redenen. Dan ontstaat er ruimte om samen te zoeken: welke ingrediënten passen daarbij? Misschien wordt het geen lasagne, maar wél een maaltijd waar jullie allebei zin in hebben.
Pionierssessie 2: "Door de mkb-bril zie je meer"
Met die andere bril op onderzoeken we verder tijdens de tweede pionierssessie: "Door de mkb-bril zie je meer". Niet: hoe krijgen we het mkb mee? Maar: welke bril heb ik zelf op? Welke aannames stuur ik onbewust mee? En hoe ziet samenwerking eruit als ik begin bij de wereld van de ander?
Lees hier terug waar deelnemers tijdens Pionierssessie 1 mee aan de slag gingen en hoe we de expeditie verder voortzetten.
Updates ontvangen
Laat je contactgegevens achter en krijg updates van alle ontwikkelingen en bijeenkomsten die wij organiseren.